In 1884 opende het Prince’s Theatre zijn deuren met een herneming van The Palace of Truth. Producties als Breaking a Butterfly en The School for Scandal waren bescheiden successen, maar het was de komische opera Dorothy die alle kassarecords van die tijd verbrak en het theater definitief op de kaart zette. De opbrengsten waren zelfs zo aanzienlijk dat ze werden gebruikt voor de bouw van het Lyric Theatre.
Het theater, inmiddels omgedoopt tot het Prince of Wales Theatre ter ere van de toekomstige Edward VIII, bleef in de vroege 20e eeuw de ene na de andere hit scoren. Hoogtepunten waren onder meer Miss Hook of Holland (1907), The Rat (1924, het toneeldebuut van Ivor Novello), Alibi (1928) en Encore les Dames (1937). De winst van deze latere producties vormde de basis voor de volledige herbouw van het theater na de sloop in 1937.
Op 27 oktober van datzelfde jaar opende het vernieuwde theater. Het zocht de grenzen op met gewaagde revues die vaak tot diep in de nacht doorgingen, zoals Folies De Can-Can (1938). Ook zorgde de Britse première van de Chaplin-film The Great Dictator voor de nodige ophef en zelfs een boete voor de eigenaar.
In de naoorlogse jaren groeide het theater uit tot een bolwerk van variété en revue, met optredens van iconen als Peter Sellers, Bob Hope, Benny Hill, Frankie Howerd en Morecambe and Wise. Met The World of Susie Wong keerde in 1959 het toneelspel terug; de productie was een groot succes en beleefde 832 voorstellingen.
In de decennia daarna werd het Prince of Wales de vaste plek voor grote musicals, waaronder klassiekers als Funny Girl, Sweet Charity, Aspects of Love, Mamma Mia! en de Broadway-sensatie The Book of Mormon.